Terug naar de
Carrierebank.nl
Administratie en financiën
Inleiding
Verschillende soorten banken
Bijzondere bankinstellingen
Toezicht op het bankwezen
Trends in het bankwezen
Bank- en verzekeringswezen
Conclusies
Sollicitatie-adviezen
Inleiding
Een bank krijgt van mensen geld ter beschikking en belegt dit vervolgens of verleent er kredieten mee. Hoewel een bank een veelzijdig activiteitenpatroon kent, is de kredietverlening meestal de primaire activiteit.
Als bankinstellingen, die over het algemeen kredietinstellingen zijn, geldscheppend vermogen hebben, worden de passiva van de bank als geld beschouwd. Er kunnen drie vormen van geldschepping worden onderscheiden: substitutie, wederzijdse schuldaanvaarding en transformatie.
Als de passiva van de bank niet als geld beschouwd kunnen worden, betreft het een kapitaalmarktinstelling.
Daarnaast kunnen het actieve bankbedrijf, dat aan de posten liquide activa, debiteuren en bankiers is verbonden, en het passiefbedrijf, dat de posten eigen vermogen, lange schulden, deposito's en spaargelden, crediteuren en bankiers omvat, worden onderscheiden. Het geeft aan dat de bank een intermediaire rol vervult tussen geldgevers en -vragers.
Verder verzorgen de gezamenlijke banken het girale betalingsverkeer.
Tenslotte vormt het effectenbedrijf een belangrijke activiteit van banken. Dit bedrijf is op te splitsen in beurs-, bewaar-, advies- en emissiebedrijf. Ook hier spelen banken een bemiddelende rol.
Verschillende soorten banken
Het bankwezen in Nederland kan op verschillende manieren worden ingedeeld:
- Geldscheppende (algemene, coöperatieve en spaarbanken) en niet-geldscheppende banken (hypotheekbanken)
- Retail (spaarbanken) en wholesale-banken (investment-banken)
Een retail-bank richt zich met name op het verlenen van bancaire diensten aan particulieren, terwijl de wholesale-bank zich meer op de zakelijke sfeer richt. De grote banken zijn meestal zowel retail- als wholesale-bank.
- Historische, institutionele achtergronden. Deze indeling is gebaseerd op traditionele kenmerken, activiteiten en markten van de verschillende banken. De Wet Toezicht Kredietwezen spreekt van algemene banken, coöperatief georganiseerde banken, spaarbanken, hypotheekbanken, effectenkredietinstellingen, centrale kredietinstellingen en overige kapitaalmarktinstellingen (bijzondere banken).
De algemene banken
De Wet Toezicht Kredietwezen omschrijft algemene banken als
"kredietinstellingen met uitzondering van coöperatief georganiseerde banken, effectenkredietinstellingen, spaarbanken en centrale kredietinstellingen". Hoewel de algemene banken in deze definitie als een soort restpost naar voren komen, nemen zij in Nederland een belangrijke positie in.
In 1930 telde Nederland 385 algemene banken. Door fusies en overnames is dit aantal na 1930 sterk afgenomen. In 1976 waren er dan ook nog maar 76 algemene banken in Nederland. In de jaren tachtig is dit aantal weer wat toegenomen door de komst van buitenlandse banken. Het betreft hier in Nederland gevestigde banken waarin buitenlandse banken een belang van 50% of meer hebben. In de periode van 1960-1990 is dit aantal buitenlandse banken toegenomen van 1 naar 47. In 1990 waren er dan ook 97 algemene banken. De meeste van deze banken kenden als rechtsvorm de naamloze vennootschap.
Het actief- en passiefbedrijf is in de loop van de tijd veranderd. Zo bestond het passiefbedrijf vroeger bijna alleen maar uit girale tegoeden, terwijl tegenwoordig de middelen ook voor een groot deel op de langere termijn worden aangetrokken in de vorm van (met name) spaargelden en langlopende leningen.
In het actiefbedrijf is de dominantie van de korte kredietverlening afgenomen ten gunste van de hypothecaire kredieten en middellange leningen. Op die wijze is het dienstenaanbod aanzienlijk verbreed.
De coöperatief georganiseerde banken
De Wet Toezicht Kredietwezen geeft als definitie voor coöperatief georganiseerde banken:
"kredietinstellingen in de rechtsvorm van een coöperatieve vereniging, die in coöperatief verband zijn aangesloten bij een centrale kredietinstelling, en voorts de rechtspersoonlijkheid bezittende kredietinstellingen, door hen in het leven geroepen, welke ter bevordering van het sparen in hoofdzaak hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van spaargelden en zich niet ten doel stellen uitkeringen te doen dan met een ideële of sociale strekking".
Het coöperatieve bankwezen wordt gevormd door de centrale kredietinstelling Rabobank Nederland en de ongeveer 900 daarbij aangesloten coöperatief georganiseerde lokale Rabobanken. Het betekent onder andere dat zij geen aandelenkapitaal kennen.
Het coöperatieve bankwezen is in de 19e eeuw ontstaan in Duitsland. Daar werden zogenaamde Dahrlehnvereine opgericht naar de ideeën van Friedrich Raiffeisen. Het waren coöperatieve verenigingen waaraan de leden spaargelden toevertrouwden om andere leden in staat te stellen kredieten op te nemen. Eind vorige eeuw werden naar dit voorbeeld ook in Nederland coöperatief georganiseerde banken opgericht. Het betrof hier de raiffeisenbanken en de boerenleenbanken met ieder hun eigen centrale kredietinstelling. Deze banken hielden zich ook voornamelijk bezig met de kredietverlening aan de agrarische sector en het aantrekken van (spaar)gelden van de bevolking van het platteland. Deze raiffeisen- en boerenleenbanken hebben zich in 1972 verenigd in de huidige Rabo-organisatie.
De Rabobanken onderscheiden zich van de rest van het bankwezen door hun coöperatieve rechtsvorm, dat wil zeggen in hun gedachte en structuur van de gehele organisatie. Elke Rabobank is zelfstandig en heeft een coöperatieve structuur met een bestuur en Raad van Toezicht, die zijn gekozen uit en door de leden. De winst wordt niet uitgekeerd, maar aan de reserves toegevoegd. Verder zijn de leden (het geldt nu alleen nog maar voor zakelijke debetcliënten) tot 5000 gulden aansprakelijk voor een liquidatietekort.
De lokale Rabobanken zijn lid van de Rabobank Nederland (de Coöperatieve Centrale Raiffeisen -Boerenleenbank B.A.) en zijn op verschillende manieren betrokken bij het beleid van de gehele organisatie. Het betekent dat de lokale banken en de centrale kredietinstelling nauw met elkaar zijn vervlecht. Zo houden de lokale banken een belangrijk gedeelte van de gelden, die hen zijn toevertrouwd, als een tegoed bij de centrale instelling aan. De centrale instelling belegt dat geld en draagt zorg voor de liquiditeit van de totale organisatie. Een kruislingse garantieregeling zorgt ervoor dat de nakoming van verplichtingen door alle bij de Rabo-organisatie aangesloten instellingen wordt gegarandeerd. Daarnaast houdt de centrale kredietinstelling op basis van de Wet Toezicht Kredietwezen toezicht op de lokale banken.
Niet alleen in structuur en gedachte, maar ook in werkterrein onderscheidt de Rabo-organisatie zich van andere banken. Hoewel deze bank nog steeds in de agrarische sector werkt, heeft zij haar werkterrein verbreed tot het midden- en kleinbedrijf.
De strategie van de jaren negentig van de Rabo-organisatie bestaat uit het aanbieden van een samenhangend pakket van spaar-, leen-, verzekerings- en beleggingsdiensten en -produkten. Om aan deze strategie te kunnen voldoen fuseerde de Rabo-organisatie in 1990 met het coöperatieve verzekeringsconcern NV Interpolis. Het belang van de Rabo-organisatie in deze verzekeringsmaatschappij steeg van 10% tot ongeveer 95%. Daarnaast werd in 1990 een overeenkomst met de Robeco-Groep gesloten. De Robeco Groep is een samenstel van beleggingsfondsen dat zijn krachten met de Rabo-organisatie bundelde op het gebied van beleggingsresearch, vermogensadvies, produktontwikkeling en vermogensbeheer om beleggers nog beter van dienst te kunnen zijn.
De spaarbanken
De definitie die de Wet Toezicht Kredietwezen voor spaarbanken hanteert, luidt: rechtspersoonlijkheid bezittende kredietinstellingen, die ter bevordering van het sparen in hoofdzaak hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van spaargelden, zulks met uitzondering van coöperatief georganiseerde banken.
Hoewel spaarbanken oorspronkelijk de rechtsvorm van een stichting hebben, zijn enkele spaarbanken in de tweede helft van de jaren tachtig overgeschakeld naar de rechtsvorm van het naamloze vennootschap, waarvan de aandelen ook door een stichting worden gehouden.
In de 19e eeuw werden de spaarbanken op initiatief van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen opgericht. Het doel hiervan was de bevordering van het sparen onder brede bevolkingslagen. De overheid heeft hierin ook nog een rol gespeeld met de oprichting van de Rijkspostspaarbank. Het bedrijf van de nutsspaarbanken, die later bondsspaarbanken werden genoemd, lag op de passiefzijde van de balans: het aantrekken van spaargelden. Het uitzetten van gelden, meestal door in overheidsschuld te beleggen, kwam hieruit voort.
De meeste spaarbanken zijn in de Nederlandse Spaarbankbond verenigd. Deze Spaarbankbond, die in 1907 is opgericht, behartigt de belangen van de leden-spaarbanken en verleent aan die leden diverse centrale diensten.
Hoewel het Nederlandse spaarbankwezen bovenstaande kenmerken ook heeft, is ook een verbreding van het dienstenpakket en het klantenbestand opgetreden. Zo kunnen spaarbanken ook kredieten aan het bedrijfsleven verlenen als zij de bedrijfseconomische toezichtsrichtlijnen voor algemene banken prefereren en hiervoor toestemming hebben gekregen door De Nederlandsche bank. Echter deze zakelijke kredietverlening heeft nog een bescheiden omvang. Met name het financiële dienstenpakket van de particulieren, die de traditionele klanten van spaarbanken waren, is verbreed. Het gaat hier om giraal tegoed inclusief allerlei betalingsfaciliteiten tot assurantiebemiddeling. Over het algemeen kunnen de hedendaagse spaarbanken als volwaardige retail-banken worden gezien.
De hypotheekbanken
Hypotheekbanken worden door de Wet Toezicht Kredietwezen als kapitaalmarktinstellingen aangemerkt. Het zijn "rechtspersonen, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en natuurlijke personen, niet zijnde kredietinstellingen...., die hun bedrijf maken, al dan niet door het uitgeven van pandbrieven, van het ter beschikking krijgen van het publiek van gelden, op termijnen van twee jaren of langer opvorderbaar, en die tevens in hoofdzaak hun bedrijf maken van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen, gedekt door hypotheek op registergoederen".
In praktijk kennen de hypotheekbanken de naamloze vennootschap als rechtsvorm.
In Nederland werd in 1861 de eerste hypotheekbank opgericht. Hoewel het aantal hypotheekbanken opliep tot ruim 80 instellingen, trad na de Tweede Wereldoorlog een concentratieproces op met als resultaat een zeer klein aantal actieve hypotheekbanken in 1990. Deze hypotheekbanken zijn allemaal dochters van een bank of levensverzekeringsmaatschappij. Zie over deze ontwikkeling van de hypotheekbanken ook de inleiding bij hoofdstuk 4 van dit informatiepakket.
Het actiefbedrijf van hypotheekbanken bestaat met name uit het verstrekken van langlopende kredieten op hypothecaire zekerheid (onroerend goed), terwijl het passiefbedrijf met name uit het aantrekken van middelen op lange termijn bestaat door middel van pandbrieven, obligaties en onderhandse leningen.
De uitgifte van pandbrieven is de meest karakteristieke vorm van het hypotheekbedrijf in de verwerving van middelen. Een pandbrief is vergelijkbaar met een obligatie, terwijl een zelfde papier dat door een andere bank wordt uitgegeven bankbrief wordt genoemd. De doorlopende uitgifte van pandbrieven is een verschil met de uitgifte ineens van een gewone obligatielening. Doordat pandbrieven dagelijks tegen de marktkoers worden uitgegeven, kan de emittent zich bij het aantrekken van middelen voortdurend aan de marktomstandigheden aanpassen. Het betekent dat men bij het vaststellen van de hypotheekrente uit kan gaan van het op dat moment geldende basisrendement. Bovendien kan een uitgifte gestaakt worden en een nieuwe worden opgestart in het geval van drastische wijzigingen op de markt. De looptijd van de pandbrief kan per uitgifte verschillen, maar is altijd meer dan 2 jaar. Verder kan de rente variabel of vast zijn en kan de aflossing ineens of geleidelijk plaatsvinden. Tenslotte kan de pandbrief aan toonder of op naam gesteld zijn.
De effectenkredietinstellingen
De Wet Toezicht Kredietwezen betitelt effectenkredietinstellingen als "kredietinstellingen, die in hoofdzaak hun bedrijf maken van het verlenen van de bemiddeling bij de handel in effecten ter beurze".
Het zijn kredietinstellingen, omdat zij hoofdzakelijk krediet verlenen en gelden aantrekken. De effectenkredietinstellingen komen in drie rechtsvormen voor: de commanditaire vennootschap, de besloten vennootschap en de naamloze vennootschap.
In 1989 telde Nederland 19 effectenkredietinstellingen, maar door het geringe balanstotaal spelen zij een geringe rol binnen het Nederlandse bankwezen. Hun betekenis is voornamelijk toegespitst op de rol die zij vervullen op de effectenbeurs in de bemiddeling bij het effectenverkeer.
Bijzondere bankinstellingen
Nationale Investeringsbank
Omdat de algemene banken in beginsel korte kredieten verleenden, voorzag het algemene bankwezen traditioneel nauwelijks in de financiering van industriële ondernemingen met lange middelen. Lange middelen moesten door de uitgifte van aandelen of obligaties worden aangetrokken. Daarom werd na de Tweede Wereldoorlog de Maatschappij tot Financiering van het Nationaal Herstel, ook wel de Herstelbank genoemd, opgericht. Deze instelling moest aan industriële ondernemingen kredieten met een lange looptijd verstrekken en het herstel van de oorlogsschade financieren. In 1963 werd deze instelling omgedoopt tot Nationale Investeringsbank N.V. (NIB).
Hoewel de Nationale Investeringsbank tot 1 januari 1988 een kapitaalmarktinstelling was, staat zij tegenwoordig als algemene bank ingeschreven. Door deze statuswijziging kan de NIB door ook korte middelen aan te trekken, een flexibelere passieffinanciering bewerkstelligen.
De NIB heeft als rechtsvorm de naamloze vennootschap. De staat is hiervan grootaandeelhouder (in 1990: 50,3%). De rest van de aandelen zijn gedeeltelijk in handen van banken en institutionele beleggers en worden gedeeltelijk op de beurs verhandeld.
De actiefzijde van de NIB bestaat voornamelijk uit kredieten op lange termijn voor eigen rekening en risico of onder garantie van de overheid, participaties en deelnemingen. Er wordt met name door middel van langlopende onderhandse leningen en obligatieleningen gefinancierd.
In het kader van de zgn. Regeling Bijzondere Financiering vervult de NIB een bijzondere rol bij het verzorgen van staatsgegarandeerde financieringen. Deze financieringen zijn voor ondernemingen met een duidelijk perspectief bestemd, die echter volgens bancaire maatstaven geen sluitende financiering zouden kunnen verkrijgen. De belangrijkste vorm hiervan, het AA-krediet, is een achtergestelde lening die ter versterking van het risicodragend vermogen aan gezonde ondernemingen wordt verstrekt.
Tenslotte heeft de NIB een katalyserende werking. Allereerst hebben de andere banken in navolging van de Nationale Investeringsbank zich ook op de lange financiering van industriële ondernemingen toegelegd. Verder hebben ondernemingen die kredieten hebben gekregen van de NIB gemakkelijker terecht bij andere banken voor kredietverstrekking.
De Nationale Investeringsbank wordt verder beschreven in hoofdstuk 2. Overigens wordt deze bank, nu zij als een bijzondere, gespecialiseerde financiële instelling beschouwd kan worden, ook in het informatiepakket over de financiele sector beschreven.
De Bank voor Nederlandsche Gemeenten en de Nederlandse Waterschapsbank spelen een grote rol in de kredietverlening en andere bancaire diensten aan de lagere overheden.
Bank voor Nederlandsche Gemeenten
In 1922 is de N.V. Bank voor Nederlandsche Gemeenten opgericht. Het was de voortzetting van de Gemeentelijke Credietbank, die in 1914 was opgericht. De rechtsvorm van deze bank is de naamloze vennootschap, waarbij de aandelen voor 50% in handen van de Staat zijn. De rest van de aandelen zijn verdeeld over de gemeentes, provincies en andere publiekrechtelijke lichamen.
De BNG is intermediair tussen de kapitaalmarkt en de lagere overheden. Zij trekt met name langlopende middelen aan door de emissie van obligaties en het aangaan van onderhandse leningen. De BNG verstrekt vervolgens met de verkregen fondsen kredieten aan gemeenten, provincies en andere publiekrechtelijke organen.
Door de bundeling van deze activiteiten in één instelling kunnen gunstigere voorwaarden en kostenbesparingen gerealiseerd worden Bovendien kan voorkomen worden dat lagere overheden elkaar op de kapitaalmarkt onnodig beconcurreren.
Een andere taak van de BNG betreft het verzorgen van het betalingsverkeer tussen lagere overheden en de Staat. Zie verder onder hoofdstuk 2.
Nederlandse Waterschapsbank
Het enige verschil van de Nederlandse Waterschapsbank met de BNG is het feit dat haar klantenkring voornamelijk uit waterschappen bestaat. Verder is zij op hetzelfde terrein actief als de BNG.
De Nederlandse Waterschapsbank is een naamloze vennootschap, die in 1954 is opgericht. De aandelen zijn voor ongeveer 18% in handen van de Staat, terwijl de rest in bezit van de waterschappen is. De Nederlandse Waterschapsbank heeft een soortgelijke functie als die van de Bank Nederlandsche Gemeenten. Sinds 1 juli 1989 houdt De Nederlandsche Bank bedrijfseconomisch toezicht op de Nederlandse Waterschapsbank als kapitaalmarktinstelling. Daarvoor stond deze bank onder het rechtstreekse toezicht van de minister van Financiën.
Toezicht op het bankwezen
De Wet Toezicht Kredietwezen regelt het toezicht op banken. Een reden hiervoor is de invloed die banken uitoefenen op de maatschappelijke geldhoeveelheid door geldschepping. Omdat de omvang van de geldhoeveelheid of veranderingen hierin het prijspeil oftewel de waarde van de gulden bepalen, oefent De Nederlandsche Bank, als geldbewaakster, monetair toezicht op het bankwezen uit.
In de tweede plaats wordt geld door het publiek aan banken toevertrouwd. De Nederlandsche Bank houdt toezicht of de bank haar bedrijf op verantwoordelijke wijze uitoefent met als doel de bescherming van crediteuren. Het gaat hier om het zogenaamde bedrijfseconomische toezicht dat gericht is op de solvabiliteit en liquiditeit van zowel krediet- als kapitaalmarktinstellingen.
Tenslotte hebben de minister van Financiën en De Nederlandsche Bank samen structuurtoezicht uitgeoefend dat ondermeer samenwerkingsverbanden en concurrentieverhoudingen tussen banken en andere ondernemingen (verzekeraars) regelde. Men was er van overtuigd dat dergelijke vermogensverbanden de belangen van crediteuren van de banken konden schaden of konden leiden tot ongewenste concentraties van economische en financiële macht in het bankwezen. Hoewel dit toezicht in de jaren zestig en zeventig strikt werd uitgeoefend, is dat in de jaren tachtig geliberaliseerd, zowel op het gebied van samengaan van banken, maar ook op het gebied van samengaan van banken en verzekeringsmaatschappijen.
Trends in het bankwezen
In de jaren zestig veranderde de structuur en het functioneren van het bankwezen door concentratie en schaalvergroting en branchevervaging.
Het Nederlandse financiële systeem ontwikkelde zich van een stelsel met gesegmenteerde markten, waarop vele gespecialiseerde instellingen hun activiteiten ontplooien en waar voor gelijkwaardige produkten verschillende prijzen gevraagd worden naar een systeem waarin de grenzen tussen de markten zijn vervaagd en de instellingen vele, verschillende vormen van dienstverlening aanbieden.
Van concentratie in het bankbedrijf wordt gesproken als een bedrijf door een geringer aantal zelfstandige ondernemingen dan tevoren wordt uitgeoefend of als het bedrijf in een land in belangrijke mate bij een of enkele ondernemingen wordt geconcentreerd.
Onder branchevervaging wordt verstaan het betreden van werkterreinen buiten het traditionele werkterrein van de betreffende categorie van financiële instellingen. Dat wil zeggen dat instellingen buiten hun eigen sector activiteiten gaan ondernemen.
Het blijkt dat concentratie en branchevervaging in grote mate samenhangen en beiden uit dezelfde omstandigheden voortvloeien. Zo veranderden de preferenties en het produktenassortiment in de jaren zestig. Daarnaast zijn ze allebei gericht op het handhaven en/of verbeteren van de concurrentiepositie.
Doordat de branchevervaging zich heeft voortgezet zijn de onderlinge verschillen tussen de diverse bankencategorieën steeds kleiner geworden. Het betekent dat kredietinstellingen actief zijn geworden op het gebied van niet-kredietinstellingen.
De handelsbanken, die zich tot einde jaren vijftig hoofdzakelijk tot de korte kredietverlening beperkten, breidden hun werkgebied uit tot de kredieten op (middel)lange termijn. Door deze grensverlegging gingen handelsbanken zich bezig houden met de verwerving van spaarmiddelen. Dit gebied werd daarvoor alleen maar door spaar- en landbouwkredietbanken betreden.
Ook spaarbanken verruimden hun dienstenpakket. Zo gingen zij faciliteiten bij het girale betalingsverkeer verschaffen.
Ook de landbouwkredietbanken verbreedden hun werkterrein.
Het gevolg was dus dat alle bankinstellingen een veelheid van diensten gingen verlenen aan zeer grote groepen en cliënten. Door de toename van de welvaart in Nederland werden de middelen steeds meer over de bevolking gespreid. Hierdoor ontstonden retail-bankingactiviteiten. Bovendien bemiddelden en adviseerden banken op het gebied van beleggingen en kon men verzekeringen afsluiten bij banken.
Vooral in het begin van de jaren vijftig maakte de concentratie in het bankwezen een stroomversnelling door. In 1964 vinden twee belangrijke fusies plaats tussen de Nederlandsche Handel Maatschappij en de Twentsche Bank, waaruit de ABN Bank ontstaat en tussen de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank, die samen de Amro Bank vormen. In 1966 neemt de NMB Bank vervolgens de Verenigde Bankbedrijven over en in 1968 werd de Hollandsche Bank Unie door de ABN Bank overgenomen. In 1972 gingen de afzonderlijk opererende raiffeisen- en boerenleenbanken en de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. samen.
De concentratie kwam opnieuw in een stroomversnelling door het overname van Bank Mees & Hope en Pierson, Heldring en Pierson door respectievelijk de ABN en de Amro Bank. Dit gebeurde in 1975.
In de jaren tachtig en negentig is sprake van een concentratie in het spaarbankwezen, waarin veel fusies plaatsvonden. Daarnaast werd de Nederlandse Credietbank door CLBN Bank overgenomen, gingen NMB Bank en de Postbank samen in de NMB Postbank Groep en vond de fusie tussen de ABN Bank en de Amro Bank plaats wat leidde tot de ABN-Amro Holding.
Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, die aan de basis van het concentratie- en het daarmee samenhangende schaalvergrotingproces lagen. Zo hebben economische ontwikkelingen bij de klanten hun weerslag op het bankwezen, omdat het hier een dienstverlenende instelling betreft. Zo zijn er veranderingen opgetreden op de Nederlandse thuismarkt in de jaren tachtig. Banken gingen concurreren om de spaargelden van gezinnen. De vraag naar kredieten was na de oorlog zeer groot door de voorspoedige economische ontwikkeling en de snelle industrialisatie. Hoewel de banken hier in eerste instantie in konden voorzien, ontstonden op een gegeven moment knelpunten aan de passiefzijde van de balans op het vlak van het aantrekken van spaargelden en middelen, die bij kredietverlening konden worden gebruikt. Het leidde ertoe dat men activiteiten gingen ontwikkelen die tevoren tot het specifieke werkgebied van concurrerende instellingen behoorden. Deze ontwikkelingen leiden tot een verscherping van de concurrentie op de Nederlandse vermogensmarkt. Daarnaast bestaat er samenhang tussen de toenemende welvaart en de verbreding van de bancaire dienstverlening naar brede lagen van de bevolking.
Verder wordt de concentratie in de bankwereld in verband gebracht net de afnemende verhouding tussen eigen vermogen en balanstotaal. Dit kan door schaalvergroting worden bewerkstelligd. Op die manier kunnen immers de risico's worden gespreid. Ten derde waren grotere bancaire bankeenheden onvermijdelijk in verband met de toenemende grensoverschrijdende goederen-, diensten- en personenverkeer. De omvang is ook van belang voor het verlenen van internationale bancaire diensten.
In de vierde plaats konden de arbeidsintensieve processen worden gemechaniseerd en geautomatiseerd door de technologische ontwikkelingen. Er kon meer van deze ontwikkelingen geprofiteerd worden als de banken groter waren. Bovendien vereisten bovenstaande ontwikkelingen dat banken voor optimale dienstverlening over specialismen konden beschikken. Met name grote bancaire eenheden konden zich deze specialismen veroorloven.
Tenslotte heeft het proces van concentratie en schaalvergroting een belangrijke impuls gekregen door het streven naar de Europese eenwording. Door de interne markt werd men geconfronteerd met een grotere markt en grensoverschrijdende bezig zijn. Dit hield nieuwe perspectieven (afzetmarkten en schaalvoordelen) en nieuwe bedreigingen (nieuwe concurrentie) in. Banken worden, om concurrentie te weerstaan, elders in de Gemeenschap actief om schaalvoordelen te realiseren en om meer grensoverschrijdende diensten te verlenen. Om een zo goede mogelijke concurrentiepositie met betrekking tot het aantrekken van middelen, distributiekanalen, geografisch werkterrein, aangeboden dienstenpakket etc. in te nemen hanteert men allerlei strategieën zoals fusies, overnames, zelfgegenereerde groei en samenwerking.
De voordelen van concentratie liggen in een betere risicospreiding, een vergroting van de financieringscapaciteit, een efficiëntere bedrijfsvoering, een verbetering van de dienstverlening en lagere kosten.
Als belangrijkste nadeel wordt meestal de concurrentiebeperking genoemd. Echter in Nederland is deze concurrentiebeperking niet echt ontstaan door de openheid van de Nederlandse economie, de markten waarop de banken actief zijn, de branchevervaging en de internationalisatie.
Bank- en verzekeringswezen
Banken en verzekeraars zijn zich steeds meer gaan ontwikkelen als partij op de effectenmarkten. Dit kwam voort uit de effectisering binnen de ondernemingen en de veranderde preferenties van de burger ten opzichte van het beleggen op effectenmarkten.
Op effectenmarkten treden banken op als bemiddelaars bij het uitgeven en verhandelen van effecten en door middel van het aanbieden van mogelijkheden tot deelneming in eigen beleggingsinstellingen.
Verzekeraars bieden gemengde beleggings-/verzekeringsprodukten aan. Op die wijze kan een relatief marktaandeelverlies voorkomen worden en verdere uitbreiding van de dienstverlening gerealiseerd worden.
In de jaren tachtig en negentig werd het grensvervagingsproces tussen het bank- en verzekeringswezen duidelijk zichtbaar.
In de jaren tachtig begonnen banken verzekeringsprodukten te verkopen via het eigen kantorennet. Verzekeraars boden via hun commerciële kanalen en intermediairs ook bancaire produkten aan. De liberalisatie van het structuurbeleid op 1 januari 1990 maakte het mogelijk dat banken en verzekeraars in één concern konden samengaan.
Na afschaffing van het structuurbeleid, dat voorzag in de strikte scheiding tussen bank- en verzekeringswezen, zijn de tendensen tot branchevervaging en concentratie zich gaan uiten in de samenwerking en zelfs fusie van banken en verzekeraars.
De liberalisatie van het structuurbeleid heeft dan ook een periode van spraakmakende fusies en overnames binnen het Nederlandse financiële systeem ingeluid. Opvallend is dat deze concentratie met name binnen de landsgrenzen heeft plaatsgevonden.
Tot eind jaren tachtig werd het bankwezen gedomineerd door vijf grote banken: ABN, Amro, Rabobank, NMB en de Postbank, aangevuld met een aantal middelgrote en kleine banken. Grote verzekeraars waren Nationale-Nederlanden, AEGON en Amev. Door de fusies en samenwerkingsverbanden is het aantal financiële instellingen drastisch ingeperkt. Zo zijn drie grote samenwerkingsverbanden ontstaan: ABN Amro Holding, Internationale Nederlanden Groep (Nationale-Nederlanden en NMB Postbank Groep) en de fusie tussen Rabobank en Interpolis, die bovendien een samenwerkingsverband met de beleggingsgroep Robeco is gaan vormen. Daarnaast zijn fusies en samenwerkingsverbanden tussen kleinere, merendeels Nederlandse instellingen tot stand gekomen, die geresulteerd hebben in naar verhouding kleine en middelgrote financiële instellingen (Verenigde Spaarbank en Amev). Deze fusies nemen de vorm aan van holdings met verschillende dochters.
In het oude structuurbeleid was er sprake van een algemene scheiding tussen bank- en verzekeringswezen. Bovendien werden economische machtsconcentraties in het bankwezen tegengegaan en werd het ontstaan van deelnemingen van banken in bedrijven (banques d'affaires beleid) tegengegaan. De scheiding tussen het bank- en verzekeringswezen was gewenst door toezichthoudende organen: De Nederlandsche Bank voor het bankwezen en de Verzekeringskamer voor het verzekeringswezen. Men wilde machtsconcentratie op de Nederlandse vermogensmarkt voorkomen.
Ook het feit dat een bank en verzekeringsmaatschappij een eigen risicoprofiel kennen en wezenlijk verschillen, is van grote betekenis geweest.
Echter in de jaren tachtig werd duidelijk dat deze scheiding niet langer wenselijk en noodzakelijk was. Redenen hiervoor zijn de ruimere mogelijkheden voor samenwerking tussen banken en verzekeraars in Europese landen en de toenemende internationalisatie van de Nederlandse markten. Branchevervaging op het gebied van produkten werd steeds meer toegestaan en banken en verzekeringsmaatschappijen gingen samenwerken en boden een combinatie van spaar- en levensverzekeringen aan.
Het tweede punt, de ongewenste machtsconcentratie, werd veroorzaakt door de angst die bestond voor een te geringe concurrentie. Door internationalisering van de financiële markten en door de toegenomen concurrentie vanuit het internationale bankwezen is deze vrees afgenomen.
Conclusies
Uit deze fusies en samenwerkingsverbanden zijn een aantal ontwikkelingen vast te stellen. Zo is als reactie op de toenemende internationale concurrentie en ter vergroting van de internationale activiteiten van de Nederlandse financiële instellingen vooral gekozen voor samenwerking met andere Nederlandse instellingen. Door grote verschillen tussen landen op juridisch, fiscaal en cultureel gebied zullen niet gauw internationale samenwerkingsverbanden tussen financiële instellingen ontstaan. Bovendien wordt een sterke positie op de thuismarkt als eerste vereiste gezien voor een uitbreiding van de internationale markten. Deze sterke thuispositie kan alleen versterkt en gehandhaafd worden door samenwerking en/of samengaan met een binnenlandse partner.
Ten tweede is er sprake van branchevervaging tussen sectoren. Er wordt zelfs gesproken van "verzekerbanken". Omdat banken een uitgebreid kantorennetwerk bezitten zijn ze aantrekkelijk voor verzekeraars. Op die wijze kunnen immers de verzekeringsprodukten in eigen beheer gedistribueerd worden. Bovendien wordt de financiële dienstverlening verbeterd door het samengaan van banken en verzekeraars. Omgekeerd zijn verzekeraars aantrekkelijk voor banken, omdat zij over goede solvabiliteit en een relatief groot vermogen beschikken. Als fusie of samenwerking plaatsvindt, kan dit grote vermogen worden gebruikt om de activiteiten van het bankbedrijf te vergroten.
Tenslotte vinden ook tussen branchegenoten fusies plaats. Dit betekent dat naast branchevervaging ook een verdergaand proces van schaalvergroting plaatsvindt.
Sollicitatie-adviezen voor geïnteresseerden in het bankwezen.
1. Bel een bank waarin je geïnteresserd bent altijd voor informatie. Niet alleen om " je stem te laten horen", maar vooral ook om goed voorbereid en gemotiveerd een brief te kunnen schrijven, een psychologische test te kunnen maken of een sollicitatiegesprek te voeren. Bereid zo'n telefonisch gesprek wel goed voor en stel gerichte vragen, anders kan het gesprek in je nadeel werken. De informatie die wij in dit pakket geven is niet en kan nooit geheel volledig zijn. Door eigen onderzoek kun je waarschijnlijk meer te weten komen over het bedrijf.
2. Probeer ook los van de algemene informatie die een afdeling P&O u over een specifieke functie of open sollicitaties kan geven, informatie te krijgen van mensen die al korte of langere tijd bij een bank werken. Schroom niet om goede én minder goede bekenden te bellen. Bijna iedereen vindt het leuk om over z'n werk te vertellen. Daarbij kan het zeer nuttig zijn om ook eens iets te horen over de moeilijke kanten van het werken in het bankwezen of de minder mooie eigenschappen van een bank.
3. Als je hebt besloten een brief te sturen en de reactie van het bedrijf is dat je "in de wacht zit zie dat dan niet als een afwijzende reactie. Blijf contact houden met degene naar wie je de brief schreef en houd jezelf op de hoogte van de ontwikkelingen
Wij realiseren ons dat de bovengenoemde adviezen heel algemeen zijn en velen zeer bekend in de oren zullen klinken), en zeker niet alleen van toepassing zijn op het bankwezen. Toch hameren wij niet voor niets op het inwinnen van informatie en het "op de hoogte blijven".
Het bankwezen is zeer populair. In deze sector geldt meer dan waar ook dat je niet de enige sollicitant bent en het aantal te vergeven banen verhoudingsgewijs laag is. Zelfs als je je gedurende je studie gewapend hebt met relevante bijbanen, commissiewerk en/of buitenland-ervaring, dan nog ben je vaak één van de vele goed gekwalificeerde sollicitanten. Je zult er bovenuit moeten zien te springen. Het beschikken over de juiste én over extra informatie is daarbij een begin. Je zult er gemotiveerd door over komen op de (toekomstige!) werkgever. Een bank vindt het altijd positief te merken dat je je in haar verdiept hebt, en op de hoogte bent van de ontwikkelingen en dus een gerichte brief kunt schrijven en een gemotiveerd gesprek kunt voeren.
Tenslotte nog een voorbeeld van wat géén gerichte brief is: een personeelsfunctionaris van een bekende bank vertelde dat zij regelmatig brieven ontving met weliswaar de goede adressering, maar in de brief zelf de verkeerde bank genoemd ("Het lijkt me geweldig om voor...... te werken!"). Even vergeten de brief aan te passen. Wég kans op een sollicitatiegesprek. Pas ervoor op dat het schrijven van een brief geen routinewerk wordt.
Wil je meer weten over bijvoorbeeld het opstellen van foutloze sollicitatiebrieven of het succesvol doorkomen van sollicitatiegesprekken dan kan je terecht bij een van de andere informatiepakketten van Sollicitatie versus Tijd.
Veel succes !
Specifieke sollicitatievragen
- Op welke doelgroepen richt onze bank zich?
- Zou onze bank zich ook op andere doelgroepen kunnen richten, hoe zou u dit aanpakken?
- Wat is voor u de ideale plaats binnen onze bank?
- Welke carrière heeft u binnen onze bank voor ogen?
- Welke van uw eigenschappen passen binnen het bankwezen?
- Welke van uw eigenschappen passen binnen onze bank?
- Wat vind u van de fusie tussen de ABN en de AMRO
- Wat vind u van de fusie tussen Nationale?
Nederlanden & de Postbank
- Welke moeilijke situatie heeft u op originele wijze opgelost?
- Wat hebben uw bestuursgenoten uw slechtste en beste eigenschap gevonden?
- Hoe is interesse in uw huidige studierichting onstaan?
- Hoe bent u met uw studierichting tot de keuze gekomen om bij een bank te gaan werken?
- Geef een voorbeeld hoe u iemand hebt kunnen overtuigen of van mening hebt kunnen veranderen?
- Welke financieel economsche literatuur leest u?
- Welke artikel heeft u uit dat blad het laatst gelezen en waar ging dat over?
- Welke recente ontwikkeling heeft plaatsgevonden binnen het bankwezen?
- Welk bericht viel u gisteren op op de beurspagina?
- Bent u bereid of wilt u naar het buitenland?
- Kunt u dit motiveren?
Bij de beoordelingen wordt onder meer gelet op zaken als ben je commercieel en zakelijk, heb je teamgeest, je motivatie voor het bankwezen, je achtergrond, trek je zaken naar je toe, je optreden, je leiderschap, je ondernemingszin en je organisatorische kwaliteiten.